Waar de schrijver zijn eerste zin bedenkt

27-3-2012 verschenen in nrc.next

Ze noemden me huilebalk. Mijn hele basisschooltijd lang heb ik gehuild. Vanaf de eerste dag dat mijn moeder me wegbracht en ik met bezwete handjes tegen het raam aanstond, kijkend naar mijn moeder die me verliet. Elke dag opnieuw geloofde ik dat ze niet terug zou komen. In groep vijf verplaatsten de huilbuien zich naar de les. Ik sloeg mijn handen onder tafel samen, biddend opdat mijn meester mij geen vraag over de slag van Napoleon zou stellen. Hij deed het toch. Ik greep mijn boek vast en schoof het langzaam voor mijn hoofd, waarachter ik zachtjes begonnen te huilen.

Selexys gaat dood. Afgelopen donderdag vroeg het overkoepelende bedrijf uitstel van betaling aan. Een vriend wees me op email die hij als klant kreeg van Selexys: “Ongetwijfeld heeft u intussen gehoord dat Selexyz uitstel van betaling heeft aangevraagd … Tot nader bericht, verandert er voor u niets.” Hij leest geen kranten en heeft geen tv, hij voelde zich alsof zijn stervende oma zelf maar even de telefoon opnam om hem te bellen wat er aan de hand was. De nood is hoog, voor het einde van de maand moeten winkelhuren en lonen worden betaald, dat geld is er niet. Hoe het verder gaat is onduidelijk. Wel weet ik dat ik ergens achter een boek ga huilen omdat dat zou betekenen dat de mooiste boekhandel van Nederland zou verdwijnen. Dat is de Selexys in Maastricht, die zich gevestigd heeft in een kerk. Zelfs de boekenweek waarin honderduizenden mensen de boekhandel binnendrongen om het gratis geschenk te krijgen, kon Selexys, die al langer in zwaar weer verkeert, niet redden. De hele boekenbranche heeft een dalende omzet van 10 procent. Waarom nu juist Selexys daar het zwaarst onder lijdt, is lastig vast te stellen. De werknemers houden zich teveel met boeken bezig in plaats van met de boekhouding, concludeert radio 1.

Ik ben net terug uit New York waar ik elke dag schreef in the Center for Fiction. Een boekwinkel van de hoogste categorie. Het centrum bevindt zich in een scheef gebouw uit 1932 op mid-town Manhattan, waar de muren van marmer zijn en de lift regelmatig blijft steken. Op de begane grond is de boekwinkel waar zakenmannen binnen wandelen die er behoefte aan hebben in hun lunchpauze echte letters te zien in plaats van die op computerschermen,  en waar leesfanaten de hele dag hun vingers over boekenruggen laten glijden. Een grote selectie hebben ze niet, elk boek is zorgvuldig gecureerd door het personeel zelf. Zo houden ze kosten van inkoopprijzen laag en weet je als lezer dat je met een goed boek naar huis gaat.

Op de eerste verdieping kunnen de bezoekers lezen in chesterfields, naast een vleugel die regelmatig wordt bespeeld. Aan een lange houten tafel bekijken studenten literaire tijdschriften van over de hele wereld. De boekensecties van elke krant worden elke ochtend apart genomen en uitgestald. ’s Avonds worden er avonden georganiseerd met de grootste schrijvers van het land. Ik was er toen Michael Cunningham uitgebreid vertelde over zijn werkproces. “Als ik een stuk tekst af heb, geef ik elke zin een cijfer. A, B of C. Dan hoop ik dat er geen C’s in voorkomen. Als ik daarmee klaar ben, streep ik alle A’s door. Dat zijn zinnen waarin de schrijver aan het poggen (opscheppen?)is. Ik leerde dit op de Universiy of Iowa, tot deze dag gebruik ik dat nog steeds.” Hij schudde mijn hand na afloop en gebood me: “write on.”

De tweede en derde verdieping wordt behuisd door een van de beste fictie bibliotheken die ik ooit heb gezien. Zonder bibliotecaresse die de prent van hardop kirren, als ik een zeldzaam exemplaar van hdhdhd vindt, kan verpesten.

Op de bovenste verdieping zijn bureaus voor schrijvers te huur. Daar loopt van elk soort iets rond: van keurige Hollywood scenarioschrijvers tot non-fictie auteurs met boekendeals van in de tonnen die nooit schoenen dragen tot columnisten van The New York Times. Alles bij elkaar lijkt het een walhalla voor de lezer. Het is een kleine literatuurfabriek waar je de eerste zin die wordt geschreven door de schrijver boven kunt zien uitgroeien tot het eindproduct in de winkel beneden.

Eenmaal terug in Nederland verlangde ik naar eenzelfde plek. Daar bleek Tim de Gier, journalist van Vrij Nederland, al over na te denken. Hij hoorde van zijn collega Mischa Cohen dat die tijdens zijn studententijd een boekwinkel had, waar Connie Palmen de wc’s schoonmaakte en Adriaan van Dis achter de toonbank stond. Tim zette brutaal op zijn website ‘ik wil een eigen boekwinkel’. Honderden reacties stroomden binnen, mensen boden zich aan als verkoper, zelfs investeerders bleken geïnteresseerd. Sommige wilden een whiskyhoek met Bukowski-boeken inrichten, taarten bakken, wilde feesten organiseren. Iedereen bood zich aan, en Bas Heijne, Ivo Victoria en Oscar van Gelderen betuigden steun via facebook. Een gevoelige snaar is geraakt.

De Nieuwe Boekhandel opende in 2010 zijn deuren in Bos & Lommer te Amsterdam. Een zelfstandige winkel met een bank, koffie en vooral zorgvuldig geselecteerde boeken. Een gewaagde keuze dat een succes lijkt te zijn. Ze staan nog steeds met twee benen overeind en dat is volgens Monique Burger te danken aan: .. Ludieke acties als Niet Goed, Geld Terug verheugen me.

Is dit het antwoord op het gat dat Selexys naar alle waarschijnlijkheid zal achterlaten? Krijgen we misschien iets terug dat nog beter is? Er staat iets heel vreemds te gebeuren. Zou het mogelijk kunnen zijn dat de grote winkels omvallen en de kleine hun plek innemen? Zou de Selexys in Maastricht onafhankelijk door kunnen? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat ik me, als Tims boekwinkel er komt, met liefde in een hoek zal verschuilen achter een boek, al dan niet huilend.