Misbruik zonder dader

18-3-2015 verschenen in nrc.next en 23-3-2015 in NRC Handelsblad

Dit is geen verhaal over een brute verkrachting in een kelderbox. Of over een doorgedraaide man die vrouwen van hun fiets rukt om ze de bosjes in te sleuren en ze daar met inwendige bloedingen achter te laten. In dit relaas komt geen touw of Duck tape voor, zelfs geen enig spoor van fysiek verzet. Hier gaat het om een jongen die niet door had dat hij een meisje verkrachtte op een vakantie in juli 2001. Dat meisje was ik. De jongen was een oude bekende van school.

De bons op de ijzeren deur klonk holler dan normaal. Ik liep op blote voeten over de tegelvloer.
‘Zijn de jongens er?’ riep een vriendin enthousiast vanuit de slaapkamer.
Ik zag twee silhouetten achter het gematteerde glas staan.
‘Ja!’ schreeuwde ik terug.
Dit was de eerste zomer die ik met drie vriendinnen alleen in het vakantiehuisje mocht doorbrengen. We waren zestien jaar.
‘Aufmachen!’ de twee jongens bonkten nog een keer.
Er klonk gelach vanuit de badkamer. Iedereen was zich nog aan het klaarmaken. Ik deed de deur open, de jongens hielden triomfantelijk een fles tequila omhoog.

Na vier verschillende drankspelletjes, zes shotjes tequila en twee mokken wijn gierde ik van het lachen. De jongens wilden aan het vijfde drankspel beginnen toen twee van mijn vriendinnen naar bed gingen. We besloten ze te laten slapen en naar de rivier te gaan. Het paadje naar de weg konden we amper zien, de maan lag achter de bergen. De hemel was volgepropt met sterren. Hoe verder we liepen, hoe lastiger ik mijn evenwicht kon bewaren. Een van de jongens pakte mijn hand. Ik zag de andere jongen hetzelfde doen bij mijn vriendin. Mijn hoofd werd zwaar, mijn stappen trager. En even later zag ik mijn vriendin niet meer. Ik voelde de arm van de jongen rond mijn middel glijden.
‘Waar gaan we heen?’ vroeg ik.
‘Het riviertje?’ zei de jongen.
‘Zijn ze daar?’
‘Weet ik niet.’
Mijn hoofd viel tegen zijn borst aan. Steunend op elkaar strompelden we het pad naar de rivier af. De jongen zette me neer op de bank van de picknicktafel. Ik viel vertraagd achterover op de houten zitting.
‘Lig je lekker?’ vroeg de jongen.
Ik zei niets, ik keek naar de sterren, maar ze draaiden steeds weg van hun plek. De jongen kwam dichtbij, hij schoof naast me op het bankje. Hij legde zijn handen op mijn heupen. Zijn hoofd verscheen voor me. Ik herinner me zijn ogen, die dicht bij elkaar stonden en zijn haar dat piekerig omhoog schoot. Achter hem ging de lucht tekeer. Met zijn gewicht op me boog hij zich naar mijn hals, hij gaf een natte kus. Ik voelde iets groeien. Ik probeerde te praten. De sterren leken te schudden. Ik wilde het laten stoppen, alles laten stoppen. Ik verlangde naar een jaar geleden, de jongen hing vlak boven me, zijn lippen glommen van kwijl.
Zachtjes zei ik: ‘Nee.’
Hij streek met zijn hand door mijn haar.
‘Heel even.’
Ik draaide mijn hoofd opzij, in mijn ooghoeken stroomde de rivier de stenen glad. De handen van de jongen zaten stevig om mijn middel. Mijn truitje had ik nog aan, het rokje had hij opgetrokken. Ik wilde zijn hoofd niet zien, ik wilde niet dat dat in mijn herinnering bleef. Want ik zou alles onthouden, zoveel wist ik zeker. Het deed geen pijn. Mijn hoofd schuurde zachtjes over het hout en de splinters. Ik probeerde te luisteren naar de rivier, het water stroomde rustig en klonk steeds hetzelfde.
‘Wat ben je strak,’ fluisterde hij in mijn oor.

De jongen maakte geluiden, geluiden die ik alleen kende uit films. Het klonk idioot, tijdens de film geloofde ik het niet en toen weer niet. Ik wilde dat hij zijn mond hield. Ik had moeten schoppen, slaan en schreeuwen, maar alle kracht had mijn lijf verlaten. Er zat nog wel genoeg fysieke kracht in me, maar mijn hoofd leek uiteen te vloeien. Het was haast of ik mezelf wilde straffen, alsof ik mezelf niet toeliet om me te verzetten terwijl ik niets liever wilde. Toen viel de jongen over me heen als een steen. Ik draaide mijn gezicht naar hem toe, hij zat nog steeds in me.

Dit is veertien jaar geleden. Ik ben nu dertig jaar oud en toch denk ik nog vaak aan een nacht in Italië toen iets gebeurde wat ik niet wilde. Veertien procent van de vrouwen (van 15 tot 70 jaar) heeft ooit geslachtsgemeenschap tegen haar wil meegemaakt, zo blijkt uit de monitor Seksuele Gezondheid 2012 van Rutgers WPF. “Plegers gebruiken allerlei verschillende strategieën … Fysiek geweld komt het minst vaak voor…,” aldus Stans de Haas van Rutgers WPF.

Ik reken mezelf tot de groep vrouwen die seksueel misbruikt is, maar de jongen heb ik nooit als een dader of pleger gezien. Ik heb me vaak afgevraagd of hij doorhad dat hij zonder mijn toestemming doorging. Is hij nu een misdadiger of gewoon een ongelofelijke klootzak die niets doorheeft? Monica Tan stelt in The Guardian van 5 maart dit jaar:  “… we should not allow the justice system alone to clearly delineate for us what makes a rapist and what makes, let’s say, a garden-variety dickhead.”

Ik heb nooit aangifte gedaan. Slechts een paar van mijn vrienden weten er überhaupt van. Eerlijk gezegd heb ik daar het meeste spijt van, dat ik er te weinig over heb gepraat. We leven in een wereld waar er nog steeds een taboe ligt op praten over seksueel misbruik. Mijn moeder en mijn leraren deden hun uiterste best om te verhoeden dat ik met vreemden mee zou gaan, of alleen ’s avonds laat door steegjes zou lopen. Goed bedoeld, maar het advies gaat voorbij aan het feit dat het in de meeste gevallen van aanranding om een bekende gaat in een alledaagse situatie.
Daarbij komt dat we nog steeds in een vrij traditionele rolverdeling denken, wat niet bijdraagt aan een oplossing. Margriet van Heesch zegt in Nrc Handelsblad van 14 oktober vorig jaar: “… in Nederland circuleren culturele scripts over hoe mannen en vrouwen zouden zijn. De dubbele moraal. Vrouwen moeten seksueel aantrekkelijk zijn en mannen seksueel actief.” Ze heeft gelijk. Ik heb zelf een keer een jongen uit bed gestuurd direct na de seks, denkend dat hij dat als een grote opluchting zou zien, maar in werkelijkheid was hij beledigd. Jongens kunnen zich dus net zo zeer zich slecht behandeld voelen als meisjes.

Ik was bang over mijn ervaring te praten, niet eens perse omdat ik me schaamde, zoals je in veel gevallen hoort, maar omdat ik bang was dat mensen zouden zeggen dat ik me aanstelde. Ik zag geen grijs gebied tussen een krijsende ‘nee’ en een enthousiaste ‘ja’. En juist in dat gebied vindt de meeste rommeligheid plaats. Op mijn middelbare school werd gewaarschuwd voor de dader en het slachtoffer kon naar de decaan in een achteraf kamertje waar niemand überhaupt heen durfde. Geen van mijn klasgenoten of ikzelf kon zich ook maar voorstellen dat we ooit in dader/slachtoffer situatie zouden terechtkomen. En zo werd er niet geappelleerd aan de meest voorkomende manier waarop misbruik plaatsvindt.
We moeten het meer over seks hebben, en wat lekkere seks is voor beide partijen, in plaats van te waarschuwen voor enge mannen in bosjes. Praten lijkt de oplossing. Als we niet beginnen om de discussie te verbreden, zullen er elk jaar meer meisjes als ik bij komen. Die niet goed weten hoe ze om moeten gaan met hun verhaal. Een verhaal dat net zo zeer voor meisjes als voor jongens van belang kan zijn.

Een paar jaar geleden kwam ik de jongen tegen op een dorpsfeest in hetzelfde vakantiegebied. Hij leek enthousiast om me te zien.
‘Dat was grappig hè? Weet je nog die ene nacht?’
Hij had geen idee.