Je bent racistischer dan je denkt

6-5-2015 verschenen in nrc.next

Ik ben wit. In 2010 verhuisde ik voor een jaar naar Bed-Stuy in Brooklyn, New York, een wijk waar voornamelijk Afro-Amerikanen wonen. Mijn kamer lag op tien minuten loopafstand van Pratt Institute waar ik Creative Writing zou gaan studeren. Laat in de nacht kwam ik aan op het vliegveld JFK en nam de metro naar Bed-Stuy. Ook al was het laat, dat betekende nog niet dat het rustig was. Mensen liepen gehaast langs me heen, een man stopte om me te helpen mijn 30 kilo bagage de trap af te tillen. Eenmaal op straat lachte hij vriendelijk naar me, hij had een donkere huid. Toen pas viel het me op dat ik de enige witte was. Onderweg van JFK naar Bed-Stuy waren alle mensen met een lichte huidskleur de metro uitgestapt. Een ongemakkelijk gevoel daalde op me neer. Direct merkte ik dat ik me bewust werd van mijn kleur – iets wat ik niet kende – en ik kreeg het idee dat ik opviel.
De volgende ochtend had ik mijn introductie op de universiteit, ten westen van Bed-Stuy. Ik schuifelde tussen de tafels door om een plekje te vinden tussen de andere uitwisselingsstudenten met wie ik dacht een kennismakingsrondje te beginnen. Dat bleek niet het geval. Een grote man met een bleek gezicht en bakkebaarden zette een monitor aan en verwelkomde ons bij de ‘Crime Prevention Course’. Hij vertelde ons dat we in een gevaarlijke wijk woonden, dat we goed op onszelf moesten passen. Hier nam hij een half uur de tijd voor. We mochten nooit alleen lopen, nooit met oortjes in over straat omdat je dan niet hoort wat er om je heen gebeurd en moesten altijd een fluitje om onze nek hebben hangen. We werden gevraagd waar we woonden, om te kijken wat de veiligste routes waren. Toen ik vertelde waar ik woonde, trok de man een scheef gezicht. De cursus appelleerde aan een gevoel dat ik de nacht ervoor had. Ik was in de minderheid dus ik kon met recht bang zijn en moest constant op mijn hoede zijn. Aan het einde van de dag liep ik in versnelde pas naar huis.
Ik had niets meegemaakt dat me bang had moeten maken, en toch was ik blij toen ik binnen was. Waarom? Ik ben opgegroeid in het voornamelijk witte Amsterdam Oud-Zuid, ik hoorde pas van de term ‘white privilege’ toen ik een paar weken in New York woonde. Ik meende dat we in Nederland niet zo’n probleem met racisme hadden. Dat dit kwam doordat in mijn sociale kringen bijna geen mensen met een andere huidskleur bestonden, borrelde toen nog niet in me op. Racisme zat in mijzelf en niet zo’n beetje ook, merkte ik de eerste dag in Bed-Stuy. De cursus bevestigde vooroordelen die ik had doordat ik wit ben en legde een symptoom bloot: de witte blik.
De recente berichtgeving over de rellen in Baltimore benadrukt nog maar eens dat de Afro-Amerikaanse gemeenschap vanuit Nederland met die witte blik wordt bekeken. Op de voorpagina van NRC Handelsblad stond afgelopen woensdag de kop: ‘Zwarte jeugd relt nu in Baltimore’. Het probleem is dat het veel mensen niet opvalt dat er iets mis is met zo’n kop. Een term als ‘zwarte jeugd’ werkt stigmatiserend. Bovendien is het woord ‘relt’ negatief. ‘Rellen’ als werkwoord bestaat niet, maar door het woord ‘rellen’ te gebruiken krijg je meteen een gevoel dat het ‘rellen’ een soort volksvermaak is geworden, zeker door de toevoeging van ‘nu in Baltimore’. Het is een neologisme dat een waardeoordeel verhult: Afro-Amerikaanse jongeren zijn relschoppers. Zo’n kop gaat voorbij aan de reden waarom de jongeren in opstand komen en centreert zich op alleen op de vernielingen.
‘Ze zeggen dat we beesten zijn’
Een lokale nieuwszender in Baltimore, WBAL tv, maakte een reportage. Gang members vroegen of zij asjeblieft hun kant van het verhaal mochten vertellen. „We laten het niet toe dat jullie ons zo portretteren”, zeiden ze. Als de journalist vraagt wat ze van vernielingen en het geweld tegen de politie vinden, antwoordt een jongen: „Het (berichtgeving over de vernielingen) geeft ons een slechte naam en het ondersteunt wat ze al over ons zeggen. Ze zeggen dat we beesten zijn en dat we ons gedragen als barbaren. Ik ben het niet eens met wat er gebeurt, maar ik begrijp het wel.”
Het andere beeld van de rellen komt wel binnen via sociale media, voor wie daar specifiek naar op zoek gaat. Maar in de Nederlandse pers is daar weinig van te merken. Alleen Sunny Bergman, Luuk van Middelaar en Simone van Saarloos durven de consensus rondom de verslaggeving over Baltimore aan een onderzoek te onderwerpen, en die in twijfel te trekken. Juist de manier waarop we berichten is zo bepalend voor onze kijk op de wereld. Het lijken misschien kleine nuances in taalgebruik, of verplaatsing van het vergrootglas, maar dit zijn precies de zaken die de blik op mensen met een andere huidskleur vormen, zeker wanneer iemand zich bevindt in een omgeving die voornamelijk wit is.

Ik moest denken aan iets wat Zadie Smith zei toen ze een paar weken geleden werd geïnterviewd door Arnon Grunberg. Ze zei dat de meeste zwarte jongeren nog de kracht hebben om zich te verzetten tegen een maatschappij waarin ze systematisch worden benadeeld, maar tegen de tijd dat ze hun dertigste verjaardag vieren zijn ze opgebrand. In Baltimore verzet een groep zich tegen systematisch racisme dat over de hele wereld aanwezig is.
White priviliged? Waarom niet black deprivation?
De laatste paar weken klinkt in Amerika de roep om betrokkenheid steeds luider. Julia Blount richt zich op Salon.com op wit Amerika: „Het is juist jouw mogelijkheid om niet te luisteren, om de situatie te negeren, dat is een teken van jouw privilege. (…) Alleen door te luisteren en betrokken te raken kunnen we vooruit.”
Vorige week belandde ik in een discussie die pijnlijk weergaf dat we nog helemaal niet zo ver zijn in Nederland als we lijken te denken. Een witte jongen stoorde zich aan de term ‘white privilege’ (wit privilege). Waarom konden we het niet hebben over ‘black deprivation’ (zwarte ontneming). Dat schoot mij en een ander, donker meisje aan tafel, in het verkeerde keelgat. Ik snauwde naar hem dat deze term een zeer negatieve connotatie heeft, omdat we dan opnieuw een groep die al genoeg is achtergesteld negatief bestempelen. Hij werd boos, zijn ogen begonnen te flikkeren, hij schreeuwde dat hij en zijn vrienden zich niet bevoorrecht voelen en de term ‘white privilege’ juist negatief vinden. Beide partijen groeven zich dieper in in hun eigen standpunten. Na een uur lang verwijten over en weer waren we nog geen stap verder.
De woede die de jongen ervoer wordt in Amerika ‘white fragility’ (witte fragiliteit) genoemd. Schrijver en professor Robin DiAngelo gebruikte de term voor het eerst referend aan mensen die het grootste deel van hun leven in een witte omgeving doorbrengen: ‘een toestand waarin zelfs een minimale hoeveelheid raciale stress ondraaglijk wordt, en die een heel scala aan defensieve zetten oproept. Daaronder vallen een naar buiten gericht vertoon van emoties als woede, angst en schuld, en gedragingen als ruzie zoeken, zwijgen en de stressvolle situatie laten bestaan.’
Hoe zouden we dan wel verder komen? Misschien is het het beste te luisteren naar Julia Blount, een docent die ons simpelweg vraagt naar onszelf te kijken. Alleen dan kunnen we begrijpen dat we constant gedreven worden door onze achtergrond. In Nederland heerst het idee dat we een tolerant land zijn, wat de witte gemeenschap een vrijbrief geeft om zichzelf buiten schot te houden. Maar als we, door de pers of door onszelf, gewezen worden op onze onbewuste vooroordelen, hebben we misschien kans te doorzien dat de rellen in Baltimore berusten op een tweedeling die geen enkel land waar witte mensen de overhand hebben nog heeft weten te overbruggen.